|
Toen Guru Nanak 30 jaar was,
verbleef hij in Sultanpur Lodhi (Punjab). Op een dag ging hij zoals
gewoonlijk naar de rivier om zich te baden. Toen hij na drie dagen nog
niet was teruggekeerd, werden de mensen ongerust en waren zij bang dat
hij was verdronken.
Zij waren echter dolblij toen zij Guru Nanak Dev gezond en wel zagen
terugkomen naar het dorp. Er verzamelde zich een grote menigte rondom
hem. Op die dag hield Guru Nanak Dev zijn eerste officiële preek. ‘God
houdt van ieder van ons. Voor hem zijn er geen hindoes en moslims. Wij
zijn allemaal zijn kinderen en allemaal gelijk’.
Zowel de hindoes als de moslims hielden van Nanak en hadden zich daar
verzameld om hem te verwelkomen. Hij liet hen allemaal als gelijken bij
elkaar zitten en noemde deze unieke broederschap ‘Sangat’. De Guru legde
zijn filosofie uit door hen eraan te herinneren dat mensen uit twee
dingen bestaan: het ‘lichaam’, dat op zichzelf een dood iets is, en het
‘leven’, dat alle acties van het lichaam mogelijk maakt. Wij leven omdat
‘lichaam’ en ‘leven’ samen zijn. God de Almachtige is zowel Ram als
Allah. Wie hem lief heeft als Ram, wordt hindoe genoemd en wie hem lief
heeft als Allah wordt moslim genoemd. We moeten de waarheid onthouden.
Hindoes, moslims, christenen, sihks... zij zijn allemaal mensen die door
God zijn geschapen en moeten als gelijken worden beschouwd.
Toen Guru Nanak Dev door het Midden-Oosten reisde, bezocht hij Mekka,
Baghdad en Medina, de heilige plaatsen van de moslims. Tijdens zijn
gesprekken met moslimtheologen werd hem gevraagd wie hij was. Het
antwoord van de Guru was altijd hetzelfde: ‘Noch hindoe, noch moslim,
gewoon een mens’. Zij vroegen de Guru wie in hoger aanzien stond, iemand
die de islam volgt of iemand die het hindoeïsme volgt. Het antwoord van
de Guru is goed opgetekend door Bhai Gurdas, die de eerste compilatie
schreef van de Adi Guru Granth Sahib. Guru Nanak zei hen: ‘Zonder goede
daden zullen beiden berouw krijgen.’
Het dappere antwoord van de Guru bracht vele geestelijke leiders in
verlegenheid, want zij hadden gepredikt dat als een persoon hun geloof
volgde, hij er zeker van kon zijn na zijn dood in de hemel te komen. De
Guru benadrukte dat God onze daden beoordeelt en niet ons geloof.
Alle mensen zijn kinderen van God en daarom gelijk. Oprechte,
eerlijke daden om mensen te dienen, vormen de juiste weg naar God.
|